Met mijn beurse knie sta ik er een paar dagen alleen voor, en gelijk al in het diepe want Jelke moet vanochtend voor het eerst na de pinkstervakantie weer naar school. ''Gotsie ik ben geen haas,'' reageert hij geirriteerd op mijn aanmoedigingen om een beetje op te schieten. Als we bij het hek van de school aankomen rennen de laatste kinderen naar binnen en verlaten pratende ouders het plein. Nu inenen overbrugt hij de vijfentwintig meter tussen het hek en de schooldeur wel als een haas. De kop van z'n rugzak, een beer met een ritssluiting, schudt bij iedere afzet en landing wild op en neer. Grappig gezicht. Thuis ga ik nog wat slapen, vanwege de knie, maar ook normaal ter been ben ik geen ochtendmens. Verwarde dromen. Een nicht, die ik al minstens tien jaar niet gesproken heb, met een vreemde man in een vreemde stad. Een morsig appartementje, verbonden via een deurloze opening met een luxe landhuis en een grote weelderige tuin. Mijn camera waaruit door alle spleten en kieren water naar buiten komt sijpelen. Om elf uur gaat de wekker en om twaalf uur haal ik Jelke weer op. Geen woest knikkende berekop deze keer, want de tassen gaan pas op het einde van de middag weer mee naar huis. Ter bezwering van mogelijk in mijn droom aangekondigde rampspoed maak ik een foto van een stromende kraan. Waarom? Omdat ik liever water uit een kraan zie stromen, dan uit m'n camera.