Ik zag een jonge boerenzwaluw zitten in het gras. Pas toen ik mijn arm uitstak en hem bijna aan kon raken fladderde hij onbeholpen weg. Clichematig overzag een kraai vanaf een tak van een dode boom zijn jachtveld. Door de openstaande deur fladderde de jonge boerenzwaluw het schuurtje binnen. De volgende ochtend zat ze daar nog. Te kiekeloeren voor een raam. Toen ik een uurtje later weer ging kijken was ze gevlogen.