21 september 2008

Paulus gaat naar Appelscha





Met zijn weekendtas en rugzak is hij naar buiten geslopen. Het is donker en iedereen slaapt nog of doet alsof. Buiten maakt hij een foto van zijn rugzak om er achter te komen hoe laat het is: 5:53 GVD!! Om half twee lag hij erin (en zeker niet als laatste, want het verstand komt met de jaren) maar op een gegeven moment werd hij gewekt door een doffe klap gevolgd door gehuil. Enkele ouders sprongen uit bed om zich te ontfermen over een jongetje dat van de bovenste helft van een stapelbed op de plavuizen was gevallen. Toen het huilen aanhield was hij ook maar eens gaan kijken of het jongetje misschien wat gebroken had, maar het viel gelukkig nogal mee; 'slechts' een gekneusde neus (bleek de volgende ochtend bij de dokterspost). Tot de val van het jongetje had hij prima geslapen maar daarna was hij blijkbaar gaan snurken, want hij werd tot twee keer toe, middels getrek aan zijn slaapzak gewekt door één en dezelfde moeder. De man overpeinsde wat hem te doen stond. In de eetzaal op een bank gaan slapen was geen optie want daar lagen het gevallen jongetje en zijn moeder al, dus probeerde hij zonder te snurken in te slapen maar na een half uur vergeefs proberen begon zijn maag te knorren en wist hij dat er van slapen helemaal niets meer terecht zou komen. Op de tast vond hij in de keuken een broodje en om 5:53 zat hij dus buiten met z'n rugzak en z'n weekendtas bij een picknicktafel; ganz allein im dunkel. Als Jelke er niet was geweest en hij een auto bij zich had gehad had hij een briefje in de keuken gelegd en was hij naar huis gereden, maar nu wist hij niets beters te verzinnen dan naar Appelscha te wandelen. Over een uur zouden de eerste kinderen toch ook wel wakker zijn. Een dichte nevel hing laag boven de weilanden en pretpark Duinenzathe lag er stil en verlaten bij. In Appelscha zelf was eigenlijk ook nog geen mens op straat behoudens een enkele auto, een krantenjongen op de fiets en een man die z'n hond uitliet. Of wacht... daar liep nog iemand; een gezette man van middelbare leeftijd met wild springend half lang haar. Over zijn blauw-paarse regenjack droeg hij een rugzak. Hij bukte zich zo nu en dan om iets op te rapen en keek daarbij een beetje schichtig om zich heen, alsof hij bang was betrapt te worden. Een willekeurige passant zou zich wellicht af kunnen vragen wat een man van in de veertig in vredesnaam bezielde om om half zeven 's ochtends op een pleintje aan de Boerestreek in Appelscha kastanjes te gaan zoeken, maar u en ik, beste lezer, weten inmiddels dat deze man het op dat moment moeilijk moet hebben gehad. Overdag is hij geteisterd door de kinderen en 's nacht is hij uit de slaap gehouden door de moeders van diezelfde bloedjes van kinderen. Als de zon langzaam op komt boven Appelscha keert de man terug naar de kampeerboerderij. Lang voor hij het erf oploopt hoort hij dat de eerste kinderen al weer wakker zijn. Een lange dag strekt zich als een onafzienbaar en onherbergzaam gebied voor hem uit. (Kobus gaat naar Appelscha)