Met bedrukte gezichtjes en betraande wangen zoeken twee kinderen op het platte dak van de bijkeuken naar de stuiterbal waarmee ze nog maar een paar tellen geleden zoveel jolijt hadden. Mette en Jelke heten die twee kindjes, maar waar ze ook zoeken het vrolijk gekleurde balletje dat zo even nog zorgeloos in de lentezon danste blijft onvindbaar. Toch geven ze het niet op. Zelfs als dikke tranen hun blikken vertroebelen en ze elkaar nog maar nauwelijks kunnen waarnemen zoeken ze door. Hulpeloos kijken ze tenslotte in de richting waar ze elkaar vermoeden. Waar is ons speeltje toch gebleven, lijken ze elkaar te vragen. Ach, was er maar iemand die ons kan helpen, snikt Mette. Maar luister, juist als de wanhoop hen te machtig dreigt te worden, vernemen ze een geluid. In hun ogen begint weer een sprankje hoop te glinsteren. Zwijgend spitsen ze hun oren. Ja, nu horen ze het duidelijk. In het huis kraakt de trap. Zou dat misschien Jelke's vader zijn? Dat zou prachtig zijn. Jelke's vader weet immers altijd raad. Hoopvol kijken ze elkaar aan. En plotseling verschijnt, als door een wonder, in de gapende leegte van de deuropening de machtige gestalte van Jelke's vader. De wanhoop van de kinderen verdwijnt als sneeuw voor de zon. "Maar kinderen toch," zegt vader als hij de betraande gezichtjes ziet. ''Waarom schreien jullie zo?" ''Het is onze bal vader," snikt Jelke. "Hij is weg en we kunnen hem nergens vinden." "Maar jongen toch," zegt vader troostend "misschien is hij wel aan de andere kant weer van het dak gerold en ligt hij nu in de tuin van buurman." Nog maar nauwelijks heeft vader die woorden uitgesproken of daar komt de buurman met zijn hond om de hoek aangewandeld. "Auke!" roept vader vanaf het platdak naar buurman. Buurman kijkt verbaasd omhoog om vast te stellen vanwaar die stem komt. Als hij de kinderen en zijn buurman op het dak gewaar wordt groet hij hen opgewekt. Dan stelt vader zijn vraag: "Auke, mogen de kinderen even bij jou in de tuin kijken of hun stuiterbal daar ligt." "Wacht maar," zegt buurman "ik heb 'm al zien liggen en gooi 'm wel naar jullie toe." De harten van de kinderen veren op van vreugde en hun kinderogen hervinden hun blije glans. "Bedankt Auke," zegt vader tegen buurman en met gespeelde strengheid tegen de kinderen: "en nu niet meer zo wild met de bal stuiteren hoor kinderen" "Neen vader," fluistert Jelke zacht en Mette buigt beschaamd haar hoofdje. "Mooi zo, rekels" bromt vader "ga dan nu maar weer fijn in de tuin spelen dan zal ik een glas limonade voor jullie inschenken."