
observaties van een lieveheersbeestjes amateur-entomoloog
Lieveheersbeestjes waarnemen in de winter
Binnenkort wordt het winter. Opstaan in het donker, thuiskomen in het donker, af en toe smerige sneeuwmodder en ijzige kou. Een luwe periode voor de amateur-entomoloog, zou je denken. Nochtans, er is zeker nog werk in dit “dood seizoen” en meer bepaald voor de lieveheersbeestjeszoeker. Maar wat we dikwijls over het hoofd zien, is dat in de winter echt wel interessante waarnemingen te doen zijn wat de biologie van lieveheersbeestjes betreft!
Want inderdaad, veel insecten, waaronder lieveheersbeestjes, overwinteren in het adulte (volwassen) stadium. De winter is door het gebrek aan voedsel en warmte een zeer ongunstige periode, die best op een zo inactief mogelijke manier wordt overbrugd. Zodra de daglengte aan het eind van de zomer begint af te nemen, accumuleert een lieveheersbeestje vet en antivriesmoleculen in zijn lichaam. Doordat ze niet atief zijn en dus geen voedsel zoeken, moeten ze de winter doorkomen op deze reserves. De mortaliteit ligt in deze periode soms ook zeer hoog, afhankelijk van de hoeveelheid opgeslagen reserves, de temperatuur en de beschikbaarheid van voedsel wanneer daglengte en temperatuur weer toenemen in het volgend voorjaar. Tegen september, begin oktober, hebben de meeste soorten hun winterverblijven gekozen. Daar kan je ze dus gaan zoeken. Alleen moet nog je weten waar en hoe. Daarom dit artikeltje.
De meeste lieveheersbeestjes leven ongeveer een jaar. Het aantal stippen zegt dus niets over de leeftijd. De kleur en de vlekken op de dekschilden spelen wel een belangrijke rol bij het op naam brengen van de verschillende soorten lieveheersbeestjes.Lieveheersbeestjes overwinteren, afhankelijk van de soort, in stro, achter schors, onder stenen (vooral in de bergen), in raamkozijnen van huizen enz.

parende lieveheersbeestjes toen het nog warm was
Het zoeken van lieveheersbeestjes in huizen is eenvoudig. Vaak stel je hun aanwezigheid vast zonder zelfs te moeten zoeken, bij het openen van een venster bijvoorbeeld, of dood onder aan het raamkozijn. Vaak slagen lieveheersbeestjes erin via gaatjes in kozijnen huizen binnen te dringen. De hogere temperatuur daar zorgt ervoor dat ze weer actief worden, ze begeven zich naar het licht aan de vensters en sterven daar meestal van de honger. Vind je dus lieveheersbeestjes in de winter die actief geworden zijn, dan is de beste oplossing de diertjes weer vrij te laten in een koudere omgeving (een kelder bijvoorbeeld). Zorg er wel voor dat ze in de lente weer kunnen ontsnappen.
Het lijkt erop dat zuidgeëxposeerde mantelzomen aan bosranden of houtkanten allerhande zeer gunstige winterbiotopen zijn. Op die manier kan je, dikwijls in grote aantallen, Tweestippelige lieveheersbeestjes vinden. Vaak vind je in zulke groepen tweestippelige ook Vloeivleklieveheersbeestje.
Het zoeken naar lieveheersbeestjes onder schors en stenen valt in het algemeen wat tegen. Het 19-puntlieveheersbeestje vormt hierop een uitzondering. Het is zeer waarschijnlijk dat deze soort overwintert op de plaatsen waar ze ook ‘s zomers wordt gevonden : aan de waterkant, in riet en lisdodde (vaak zelfs binnenin de stengels). Als je dus in de winter naar vogels gaat kijken aan waterpartijen, pluk dan ook eens wat dood riet en lisdodde-“sigaren” om uit te pluizen. Bruin lieveheersbeestje moet je gaan zoeken onder schors van dennen en sparren (douglas bvb.). Populierenschors wordt vaak ook uitverkoren als winterverblijfplaats.
Om strooisel en bladafval te onderzoeken, is de meest efficiënte methode het gebruik van een zeef. Het protocol: leg het te onderzoeken materiaal (dode bladeren, mossen, strooisel) in de zeef (maaswijdte ongeveer 1cm2). Zeef het daarna boven een bak. Breng nu het materiaal uit de bak in plastic zakken, bij voorkeur doorzichtig (bvb. Zakjes voor de diepvries). Eenmaal je weer thuiskomt, hoef je de zakken enkel nog bij een warmtebron te zetten. De lieveheersbeestjes die erin zitten, zullen actief worden en gaan automatisch naar de top van het zakje, waar je ze gewoon maar te “plukken” hebt. Je kan dan na het plukken de restfractie nog even in een witte bak gieten en snel op zicht triëren om zeker te zijn dat je geen beestjes over het hoofd hebt gezien. Je zal trouwens ook snel merken dat er nog veel andere interessante ongewervelden in het strooisel zitten. Tienstippelig lieveheersbeestje werd reeds vele keren in strooisel gevonden op die manier, alsook in mossen die aan de voet van eiken groeien. Zestienpuntjes werden al gevangen door het zeven van mossen. De heidesoorten Hiëroglyphenlieveheersbeestje en Heidelieveheersbeestje moet je gaan zoeken in het strooisel onder heidestruiken maar ook in de heidepolletjes zelf. Er zijn zelfs soorten (bvb. Tienstippelig lieveheersbeestje) waarvan overwintering in beukenootjes en kastanjebolsters regelmatig is vastgesteld!
Je moet natuurlijk niet gaan verwachten dat je enorme hoeveelheden lieveheersbeestjes zal gaan observeren in de winter, op de typische enorme herfstaggregaten van sommige soorten na (er zijn al waarnemingen in Vlaanderen van bvb. - bij ruwe schatting - 260.000 exx. Meeldauwlieveheersbeestje op Linde). Toch zijn die enkele waarnemingen belangrijk en interessant, want er bestaat zeer weinig informatie over het winterse leven van de beestjes. Om te beginnen zijn de overwinteringplaatsen op zich slecht gekend.
Anderzijds is het typische aggregatiegedrag dat in de winter kan worden waargenomen, slecht gekend. Blijkbaar overwinteren Zevenstippelig lieveheersbeestje en Viervleklieveheersbeestje individueel, terwijl Tweestippelig, Meeldauw, 22-stippelig en 16-puntlieveheersbeestje aggregaten vormen. De kennis over de grootte die deze groepen kunnen aannemen is ook nogal magertjes. In het algemeen gaat het om kleine groepjes van een tiental dieren, maar in Groot-Brittannië bvb. zijn al groepen van meer dan 10.000 16-vlekjes en groepen van een duizendtal 2-stippelige lieveheersbeestjes waargenomen. De manier waarop deze groepen worden gevormd, is niet duidelijk. Waarschijnlijk communiceren de dieren met een of ander feromoon (chemische signaalstoffen). Als dat zou kloppen, is het waarschijnlijk dat deze feromonen niet soortspecifiek zijn, aangezien er gemengde groepen worden geobserveerd. Zo wordt Tweestippelig lieveheersbeestje vaak samen gevonden met 10-stippelig en 14-stippelig, 16-puntlieveheersbeestje vaak samen met 22-stippelig en het algemene Zevenstippelig lieveheersbeestje samen met een hele range van andere soorten (Majerus, 1989). Het zou bvb. ook zeer goed mogelijk kunnen zijn, dat die “verzamelferomonen” van de ene op de andere winter blijven hangen en daardoor overwinteringplaatsen “gerecycleerd” kunnen worden van jaar op jaar. Dit alles voorlopig nog in de voorwaardelijke wijs uiteraard.
Bovendien, het is best mogelijk dat er soorten zijn die ‘s winters veel makkelijker te vinden en te inventariseren zijn dan in de zomer (zoals sommige vlindersoorten met een verborgen levenswijze ook beter in de winter kunnen opgespoord worden, zij het in een niet-adult stadium). Voor lieveheersbeestjes kan het gaan om soorten die zich hoofdzakelijk in boomkruinen ophouden.
Dus : iedereen aan de zeven, dikke jas aan en goede jacht!