17 januari 2010

Het huisje in de sneeuw



Waar is vader nou? Ze kijken overal! Ze roepen! Ze schreeuwen.
Ze klimmen tegen de hoge spoordijk op....
Ze glijden er ook weer af.
Vader is nergens.
Vader heeft een rood bandje om zijn pet; maar zij zien dat rode bandje nergens.... Alles is wit, wit...

En de spoorweg loopt heel ver het bos door.... heel, héél ver de wereld in.
En 't is zo bang en zo stil in het bos.
En ze zijn zo alleen.... zo héél alleen.
"O, vader!.... Vá!.... Váder!" roept Dikkie....
"Vader, waar bèn u?"
Maar vader is er niet.
Vader is nergens.
Och, die arme, àrme jongens!
Ze liepen door de dikke sneeuw langs de hoge spoordijk.
Ze schreiden allebei.
En de sneeuwvlokjes dwarrelden voor hun ogen.

Ze hoorden wat!... De grond bonsde een beetje... wat wàs dat?
Hoor!.... De grond bonsde nog erger!
Heel in de verte kwam iets aan, iets donkers...
En 't bonsde, 't bonsde zo!
De trein kwam er aan....
Hij werd al groot. Hij werd heel groot.
De jongens stonden stil en ze werden ineens een beetje blij... Nu waren ze niet meer alleen.
Ze staken hun handjes in de hoogte.... En ze wilden roepen. En ze wilden wat vragen.
Och,.... de trein vlóóg voorbij.
Ze schreeuwden! Ze wilden meelopen...
Dikkie viel. Hij lag op zijn buik diep in de sneeuw.
En daar ging de trein....
Hij werd al klein. Hij werd heel klein.

Toen waren Daan en Dikkie weer hélemaal alleen.
En ze waren zo moe.
Ze waren zo koud.
Ze waren zo bang.
Arme, àrme jongens!

8. WIE KON DE ZACHTE STEMMETJES HOREN?

De trein was wèg... Hij was al heel ver de wereld in.
En 't was zo stil in 't bos, zo stil.... en zo bang.

De jongens gingen weer een laantje in.... Ze moesten wel.
Daan zei: ''Misschien zien we ons huis wel!'' Maar hun huisje was er niet.
Hun huisje was nergens.... En hun vader niet. En hun moeder niet. En Koosje niet .... Niemand!

Ze kwamen bij een beek. Maar ze konden er niet over. Er was nergens een brug.
Het donkere water van de beek stroomde zachtjes verder. En de sneeuwvlokjes, die in het water vielen, verdronken,.... allemaal.
Dikkie snikte:"Ik wil naar huis!.....naar moes!"
Ze dwaalden verder langs de beek. En er stonden dikke tranen in hun bange ogen. Hun handen waren blauw van de kou....
En Daan hield het kannetje eerst in zijn éne hand;
en dan weer in zijn àndere hand... Dan zei het kannetje zachtjes:"Kloek!"


(fragment uit: W.G. van de Hulst - Het huisje in de sneeuw, 1924)



10e druk met illustraties van Tjeerd Bottema






Tjeerd Bottema

Tjeerd Bottema werd op 6 februari 1884 geboren te Langezwaag in Friesland. Hij volgde de kweekschool in Maastricht, waar hij zijn onderwijzersdiploma en acte L.O. tekenen behaalde. Daarna vertrok hij naar Amsterdam, waar ook zijn broer Tjerk tekenlessen volgde. Hier behaalde hij aan de Kunstnijverheidschool de akte M.O. tekenen en ging werken als plateelschilder bij plateelfabriek "De Distel".
Hij volgde schilderlessen aan de Rijksacdemie voor Beeldende kunsten, en kreeg etslessen van professor Dupont. Ook werkte hij als reclametekenaar. De bekende reclame van de R.V.S., man met vrouw en hondje onder een paraplu, is van Tjeerd Bottema.
In 1906 won hij de Prix de Rome voor vrije schilderskunst en maakte studiereizen naar Italië, Frankrijk, Engeland, Spanje en Marokko.
Vanaf 1911 woonde hij in Laren N.H. waar hij schilderde, etste en illustreerde. Vooral kinder- en schoolboeken. o.a. de boekjes Wondere verhalen van vader Uggelebug.
Hij vestigde zich met zijn gezin, vrouw en twee dochters, in 1919 te Katwijk aan zee. Schreef hier het jongensboek Avonturen van een Hollandschen jongen in Arizona (1936).
Hij woonde van 1943-1945 in Leiden en later in Leidschendam.
Zijn broer Tjerk, een van de beste lithografen en tekenaar van politieke prenten, verdronk tijdens de oorlog in juni 1940, samen met zijn vriend de dichter Marsman, toen hij per boot van Bordeaux naar Engeland trachtte te vluchten en zijn schip getorpedeerd werd.
Tjeerd Bottema keerde na de oorlog wegens heimwee terug naar Katwijk. Hier werd het grote succes van Bottema en Anne de Vries, Jaap en Gerdientje met vier deeltjes voortgezet.
Tjeerd Bottema overleed op 9 maart 1978 te Katwijk aan Zee.

Beknopte Bibliografie:
Wondere verhalen van vader Uggelebug:
Deel I Doove Jabik en de betooverde vogelschrik, 1924
Deel II Het avontuur van Nob, Gnob en Gnobberdebob, 1924
Deel III Het wolkenwezentje en de baas van de grauwe donderwolk, 1925
Deel IV Kleine Jochem en de dolle mol in 't muizehol, 1925
Van Lopertje, Piepertje en Knagertje, 1933
Avonturen van een Hollandschen jongen in Arizona, 1936
Aardolie, zigeuners en Freddie, 1955
Er was eens een oud vrouwtje. Een oud verhaaltje, 1956

Illustraties in o.a.:
Serie Karakter-Kennis-Kunst. Voor het Voortgezet onderwijs, 1928
Leesboekjes voor het lager onderwijs de series:
Zonneschijn, 1934
Voor allen wat, 1951

Van Nienke van Hichtum: Schimmels voor de koets of.... vlooien voor de koekepan, 1936
Van A.D. Hildebrand: Een slimme vos in een dierenstad, 1931
Van W. G. van de Hulst: Het huisje in de sneeuw, 1924
Van Leonard Roggeveen:De krant van Kees van Dam, 1936
Van T. Geertsma-Allema: Als de grimmige Noordooster waait, 1938
Van A.Th. Sonnleitner:De holenkinderen in het geheime dal, 1942
Van P. J. S. Zwart: De Pieterjan-serie (6 delen), 1943-1953
Van Jouk Terpstra: De kinderen van de Achterweg, 1947

Van Anne de Vries:
Jongens van de straat, 1934
Op de grote heide, 1937
De grote veenbrand, 1937
Jaap en Gerdientje, 1939
Het boek van Jan Willem, 1950
Reis door de nacht, 1951
en in vele andere boeken...